Regelmatig hoor ik bij de organisaties, waarvoor we ruimtelijke projecten uitvoeren: “We gaan er blanco in, bij een participatietraject, alles ligt nog open!” Deze insteek komt vanuit een goed hart en met de beste bedoelingen. Men wilt anno nu in samenwerking met de eindgebruikers visies, plannen en ontwerpen maken voor de leefomgeving en niet alleen met de mensen binnen de muren van de organisatie. Maar blanco de participatie ingaan kán eigenlijk nooit.

Niet ‘blanco’, maar onbevooroordeeld

Eerlijk is eerlijk, tijdens de eerste masterclasses die ik geef over Samenwerking & Participatie gebruikte ik de eerste paar keer ook de term blanco, als je een traject ging opstarten met uiteenlopende stakeholders, waaronder vanzelfsprekend de bewoners.. Dat heb ik gauw uit mijn vocabulaire gehaald. Want dat bedoelde ik helemaal niet.

Wat ik wél bedoel en waarvan ik overtuigd van ben dat het de sleutel tot succes in samenwerking is, is dat je onbevooroordeeld een traject in moet gaan. Dat is iets heel anders dan ‘blanco’.

Waarom ‘blanco’ ingaan niet kan

Als je een participatieproces blanco ingaat en zegt, zoals ik, juist vooruitstrevende gemeentes op het gebied van participatie, dat heb horen zeggen: ‘We beginnen helemaal open en blanco, mensen kunnen met alle ideeën komen die ze willen’, dan ben je in feite niet eerlijk bezig en creëer je je eigen weerstand.

Want het is niet zo. Niet alle ideeën kunnen overal en al helemaal niet tegelijk.

Er zijn publieke taken te verrichten, die vaak de belangen van de desbetreffende buurt, wijk, en zelfs gebied overstijgen. Denk aan wateropslag en bevordering waterkwaliteit, eisen rondom ingrepen waar er kabels en leidingen liggen, woningen die gebouwd moeten worden, omdat er een tekort is, een duurzaamheidsdoelstelling die gehaald moet worden – noem maar op. Wanneer je ergens blanco ingaat en ‘alles kan’ moet je later terug met de boodschap dat het tóch niet mogelijk blijkt te zijn. Dat zorgt voor het gevoel dat het meedenken ‘verspilde moeite is’ of ‘mensen voor de gek houden’ en dán heb je je eigen weerstand gecreëerd. Want er werd toch eerst enthousiast op gereageerd?

Nee zeggen is ook een vak

Daarom pleiten we er voor om dit soort momenten waarin je gaat brainstormen, out-of-the-box denken, met ideeën komen, zeer zorgvuldig voor te bereiden. Hierbij moet je heel goed bedenken, waar je écht nee op moet zeggen. Waarop je nee zegt vergt kennis en inzicht. Er moeten keuzes gemaakt worden – niet alles kan overal en tegelijk. Maar wat we vaak merken is, dat het evenwicht ontbreekt in participatietrajecten voor ruimtelijke plannen. Óf de participatie wordt geheel blanco  ingestoken met alle teleurstellingen van dien óf dat er juist té snel nee wordt gezegd op basis van oude denkpatronen of vooroordelen. We merken zowel in onze ruimtelijke co-creatie projecten, als in onze incompany masterclasses, dat er vaak veel meer keuzevrijheid is, dan gemeente, provincie, ontwikkelaar of woningbouwcorporatie denkt.

De crux is om scherp te hebben wáár die keuzevrijheid ligt en vervolgens écht onbevooroordeeld de dialoog hierover, met alle betrokken partijen en mensen aan te gaan.

Waarom is onbevooroordeeld zo moeilijk?

‘Onbevooroordeeld de dialoog voeren’ klinkt makkelijker dan het is.

Ik schat in dat we allemaal dagelijks in de valkuil stappen: ‘ze zullen waarschijnlijk zus en zo reageren dus laat ik de discussie maar niet aangaan’, ‘Hij/zij vindt het vast niets, dus ik ga het maar niet voorstellen’ of in participatieprocessen: ‘Zij gaan klagen, doen ze altijd’ of ‘We vinden bij de gemeente dat’ en dan blijkt het om de mening van een of twee individuele ambtenaren te gaan. Ga zo maar door, je hebt vast zelf voorbeelden hiervan in je dagelijkse leven en werk. Soms krijg je gelijk in je aanname, maar net zo vaak is de situatie heel anders (geworden) en spelen de aangenomen ‘waarheden’ zich alleen af in je eigen hoofd.

Dat komt, omdat je al van alles heb meegemaakt, ervaringen opgedaan. Je hebt misschien specifieke kennis als ambtenaar, projectontwikkelaar of medewerker van een woningbouwcorporatie, waardoor je inschat dat bepaalde ideeën praktisch wél of niet kunnen. Daaruit trek je bepaalde conclusies. Dát is juist de valkuil. Want waarop baseer je dat en is dat nou echt de enige waarheid? ‘Don’t jump to conclusions’!

De bagage van het gebied

Het punt is namelijk, dat er zich ook altijd van alles heeft afgespeeld in het desbetreffende gebied, waarvan jij misschien op dat moment geen weet hebt als organisatie. Dat merk je pas als je het gebied intrekt, de verhalen van alle stakeholders hoort – de persoonlijke verhalen maar óók de verhalen van het proces voor visies, plannen en ideeën uit het verleden. Vaak is er al eerder meegedacht met het een en ander voor het gebied, hebben mensen hier hun vrije tijd en energie ingestoken. Díe geschiedenis van een gebied kan je niet negeren, al gaat het nu heel anders. Ook dan creëer je je eigen weerstand.

Net als dat je de ‘fysieke’ geschiedenis niet kunt negeren, de landschappelijke structuren, de cultuurhistorische elementen, de ontstaansgeschiedenis van een wijk, dorp en stad. Ook dat heeft grote invloed op de identiteit van een plek of gebied en hoe de mensen het wel of niet als hún plek beschouwen. Deze bagage moet je meenemen in je participatie, niet weg vegen onder de noemer ‘we beginnen met een frisse start’ maar als een verrijking voor het nieuwe en frisse zien. Bepaalde bagage kan met de opgaven en ambities die nu spelen, plaats bieden voor een herinterpretatie, dat zeker, maar het is er dus je moet er wat mee.

The hanging basket – het grootste participatie misverstand

Hoe ga je dan onbevooroordeeld de dialoog aan, mét de kennis die je hebt, met de huidige opgaven en ambities?

 Onderschrift

Een heel down-to-earth voorbeeld van verkeerd begrepen participatie die ik echt overal in Nederland tegenkom is deze; één of meer bewoners zeggen: ‘Ik wil ‘hanging baskets in onze straat, dat staat zo gezellig’. De organisatie reageert welwillend hierop, want ‘we doen aan participatie en de bewoners willen dat’ en – hup – hangen er 20 baskets met geraniums in de lantaarnpalen, je kent ze wel.

Men grijpt naar de automatische pilot.

 

Voor de impact van hanging baskets, zou ik nog steeds graag een nauwkeurige berekening willen ontvangen van een beheerder, maar met logisch nadenken kom je er ook. De baskets moeten elk voorjaar opgehangen worden. De plantjes krijgen om de zoveel tijd (drink)water want de verdamping is hoog in zo’n basket. Eind van het seizoen moeten de baskets weer afgehaald worden. Een simpele berekening van de consequentie is deze:

Achterhalen wat de échte verlangens zijn

Stel, je legt de bewoners de bovenstaande feiten voor, de consequenties van hun idee en daarnaast vooral ook, een alternatief? Je heb geen oordeel, je laat de keuze nog steeds bij de mensen. Wat kiezen ze dan?

We hebben dat vaak genoeg gedaan. Wat gebeurt er? Als je in dialoog gaat met deze bewoners over wat het nou precies is, waarnaar ze verlangen in hun leefomgeving, dan is het dit: kleur, vrolijkheid en groen in de straat. Hoe is niet het belangrijkste. Dat het er komt wel.

Als je inspiratie biedt aan bewoners van goed beheerbare en betaalbare oplossingen voor hun verlangens: kleur, vrolijkheid en groen in de straat die ook nog de biodiversiteit bevorderen en een kleine bijdrage leveren aan hemelwaterafkoppeling en het voorkomen van hittestress zijn de bewoners – tot nu toe – zonder uitzondering om. Dat willen ze veel liever dan de hanging baskets, ze hadden er alleen niet aan gedacht!

Regelmatig zijn bewoners ook nog bereid om mee te werken in het beheer van vaste plantenvakken (zie evt. Binnentuin Wijk C) of geveltuinen.

Je moet mensen niet geven wat ze vragen…

Belangrijk bij elke vraag vanuit bewoners, maar ook bij elke nieuwe ontwikkeling, groot of klein, is dat je mensen iets geeft. Iets anders en beters dan wat er nu is. Waarom zou je veranderingen aanbrengen, ontwikkelen als het er niet beter op wordt? Om te weten of iets beter is voor een buurt, wijk of gebied moet je, naast de opgaven en ambities de pijnpunten en verlangens van de eindgebruikers goed kennen.

In dat kader onderschrijf ik van harte wat Hans Warnou, ‘de vader van de moderne landschapsarchitectuur in Nederland ’ al in de jaren ’70 over bewonersparticipatie zei:

TIP: Hoe je dat kan doen, kan je regelmatig leren en onderzoeken in de masterclass ‘Stop met bewonersavonden – maar wat dan wél?!’. Wij geven die incompany aan uiteenlopende organisaties over het hele land.